<< home - geloof: lezingen - M. Gorsira
Bijgewerkt: 18-04-2008
van:
gehouden op 19 maart 2005 bij de Vrije Baptistengemeente 'Elim'
![]()
Michael Gorsira
studeerde aan het BIB en ETF in Heverlee (België), samen met
zijn vrouw Ingrid. Daarna liep hij stage in de Vrije Baptistengemeente Lemmer
bij br. O. Bottenbley. Sinds 1988 werkt hij als voorganger en is tegenwoordig
voorganger van de Vrije Baptisten gemeente Delfzijl.
We lezen 1Tess. 1:6-10.
We vinden hier een beschrijving van het leven van deze eerste christenen in
de stad Tessalonica, een stad in het noorden van Griekenland (Macedonië). Paulus
is dankbaar voor het getuigenis dat van hen uitgaat, zie vs.7,8. Hun
geloofsleven maakt indruk op de toekijkende wereld en is tot bemoediging en
voorbeeld voor andere christenen in heel Griekenland (Macedonië en Achaje).
Wat was nu zo kenmerkend aan het leven van deze christenen in Tessalonica? Paulus noemt drie kenmerken: zie vs. 9b, 10. Er was daadwerkelijke bekering van het oude leven, het leven zonder God; er was een dienen van God met woord en daad; en er was volhardende verwachting van de Wederkomst van Christus. Dus, radicale bekering, toegewijde dienst aan God en uitzien naar Christus' Wederkomst - dit kenmerkte hen. En omdat deze kenmerken zo duidelijk aanwezig waren, was hun geloofsleven zo vitaal en ging er een indrukwekkend getuigenis van hen uit; waren ze tot voorbeeld voor hun medegelovigen.
Vanmorgen willen we stilstaan bij het laatste kenmerk: deze toekomstverwachting. Het was niet alleen een wezenlijk kenmerk van het geloofsleven van deze eerste christenen in Tessalonica, het mag en moet ook ons karakteriseren. Naast de bekering van het oude leven (het leven dat we leidden zonder God, buiten zijn wil en bedoeling voor ons om) en het toegewijd dienen van God in het heden, ook dit derde element: zie vs. 10.
Wat houdt dit nu concreet in? Wat betekent het nu praktisch, als de gemeente leeft in de verwachting van de Wederkomst van de Here Jezus uit de hemel?
Voordat we daar op ingaan, is het belangrijk om eerst 3 inleidende opmerkingen te maken:
Ten eerste, we moeten ons, in ons uitzicht op de toekomst, vooral richten op de hoofdzaak en ons niet verliezen in allerlei details.
Gelukkig zijn over de hoofdzaak bijbelgetrouwe christenen, van alle tijden en van verschillende kerkgenootschappen, het van harte eens. Over de details, echter, zijn, zoals we weten, vele verschillende opvattingen. Dat is soms een heel verwarrend gebeuren. Maar wat bindt nu alle christenen, die de Here Jezus waarachtig liefhebben en de Bijbel lezen als Gods Woord, nu samen? Deze hoop en deze verwachting: de Wederkomst van onze Here Jezus Christus in macht en majesteit.
Die Wederkomst belijdt de Gemeente van alle tijden en alle plaatsen, daar ziet zij naar uit, daarmee bemoedigen christenen elkaar. Maar weer, over allerlei details met betrekking tot de toekomst - wie enigzins verder heeft gekeken dan zijn/haar neus lang is, die beseft - daarover bestaat veel verschil van mening. De kwestie is hier niet een bijbelgetrouw tegenover een vrijzinnig standpunt. Het gaat om ware kinderen van God, die verschillend uitkomen in het lezen van de Schrift. Er zijn christenen, die tot een Amillenialistisch standpunt komen, anderen zijn Postmillenialistisch of Premillenialistisch (oftewel A-, Post-, of Pre-Chiliastisch). Het gaat hierbij om de visie op het Duizendjarig Rijk (zie Op.20:1-6). Is dat nu wel of niet letterlijk te nemen? En komt het dan voor of na de Wederkomst van Christus? En zij, die van mening zijn dat Christus' Wederkomst het Duizendjarig Rijk zal inleiden, zijn verder nog onder te verdelen in Pretribulationalisten, Midtribulationalisten of Posttribulationalisten. Hierbij gaat het om visies op de "grote verdrukking": gaat de gemeente daar wel of niet of gedeeltelijk doorheen?
Het is zeker interessant om te studeren op deze verschillende standpunten en de argumenten na te gaan, op grond waarvan men tot een bepaalde conclusie komt. Maar soms is het een vermoeiende aangelegenheid…. Meerdere malen ben ik de draad in een bepaald betoog helemaal kwijtgeraakt, bij het gegoochel met getallen en symbolen uit het boek Daniël of Openbaring. Of wanneer men, zonder geduldige uitleg van de profetie in de oorspronkelijke context, de ene uitspraak uit het boek Jesaja of Ezechiël of Zacharia koppelt aan een andere profetie. Soms worden indrukwekkende tijdbalken aangeleverd, die wat weg hebben van ingewikkelde bouwtekeningen van een ingenieursbureau. Ik ben doorgaans niet erg onder de indruk. Het is namelijk niet zo moeilijk om allerlei teksten - los van een zorgvuldige uitleg vanuit het oorspronkelijke verband - in te passen in een van te voren opgesteld schema. De eerlijkheid gebiedt daarom om toe te geven dat christenen, die oprecht Gods Woord willen bestuderen, toch op onderdelen tot verschillende standpunten komen. Dit moet ons allen brengen tot een mate van voorzichtigheid. De zaken liggen blijkbaar niet zo helder als we wel zouden wensen, anders zou er niet zoveel verschil van mening over mogelijk zijn. Wie beweert dat alles zo klaar en duidelijk is, is ófwel behoorlijk eigenwijs, óf heeft niet zoveel kennis van zaken.
Maar dit is de hoofdzaak, waarin we elkaar allen vinden; en het is deze hoofdzaak, die ons in het NT telkens weer onder de aandacht wordt gebracht. Het is wat de engelen zeiden bij de Hemelvaart van onze Heer: zie Hand. 1:11. Welke verschillen er ook onder ons kunnen zijn t.a.v. bepaalde onderdelen van de toekomstverwachting, de hoofdzaak is het allerbelangrijkste en daar moeten we ons vooral op richten: zie 1Tess. 1:10 (vergelijk ook: 1Kor. 1:7; Tit. 2:13; 1Pet. 1:13; Op. 1:7).
De tweede inleidende opmerking is: we hebben in deze toekomstverwachting de bijbelse balans te bewaren.
Wij mogen leven in de concrete verwachting van de Wederkomst van onze Heer; we verwachten zijn Komst tijdens ons leven! Heel het NT ademt die concrete verwachting. Tegelijk, om redenen die wij niet kunnen doorgronden, kan zijn Komst worden uitgesteld, tot Gods bepaalde tijd. De apostel Paulus is ons hierin tot voorbeeld. Hij leefde duidelijk in de verwachting van de Wederkomst van de Heer tijdens zijn leven. Toch hield hij ook de mogelijkheid open, dat hij zou sterven voor die tijd en zou heengaan, om bij Christus te zijn. Hij durfde te denken op de langere termijn; aan hoe het verder moest, als hij er niet meer zou zijn. Vooral in de Pastorale Brieven (aan Timoteüs en Titus) zien we de apostel maatregelen treffen om de gezonde leer en een goede aanstelling van oudsten te bewaren. Bij Paulus vinden we de bijbelse balans. Sommigen van de Tessalonicenzen hadden blijkbaar een overspannen toekomstverwachting (zie 2Tess. 2:1-3, 15-17; 3:10-12). Ze werkten niet meer voor hun brood en staakten hun dagelijkse werkzaamheden - "de Heer komt toch binnenkort terug". Paulus moest in de beide Brieven aan de Tessalonicenzen deze overspannen verwachting corrigeren. Dit is het bijbels perspectief: 'de komst des Heren is nabij' (bijv. Fil. 4:5; Jac. 5:7-9); 'zie, Ik kom spoedig' (bijv. Op. 22:7, 12, 20).
Zijn komst staat voor de deur - alleen, wij weten niet wanneer die deur precies opengaat…. 'Spoedig' is niet hetzelfde als 'nu' of 'morgen'. Hierbij valt te bedenken dat regelmatig in het OT de nadruk bij het woord 'spoedig' of 'nabij' niet zozeer valt op de nabijheid in tijd, als wel op de zekerheid dat het aangekondigde zal gebeuren (zie bijv. Jes. 13:6 in de context van heel die profetie; Ez. 7:5-8).
In dit verband valt op te merken dat de neiging om toch (zelfs bij benadering) een datum te prikken, een neiging waaraan herhaaldelijk in de lange geschiedenis van de Kerk is toegegeven, telkens weer heeft geleid tot grote teleurstellingen, verwarring en schaamte. Het is vruchteloos om een antwoord te willen weten op de vraag: 'wanneer komt de Heer nu precies?' De Heer zelf kapt deze nieuwsgierigheid bij ons af - zie Mc. 13:32-37 en Hand. 1:6-9. Wanneer onze verwachting ons zou verhinderen om in het heden waakzaam en werkzaam te zijn in de verantwoordelijkheden, die God ons geeft, moeten we beseffen dat we dan in onze toekomstverwachting zijn doorgeschoten.
We kunnen de derde inleidende opmerking kort houden: de verwachting van de
Wederkomst van onze Heer heeft grote praktische consequenties.
Onze hoop en ons toekomstperspectief is niet een zaak van vindingrijk speurwerk
en rekenarij, waarbij we onze verantwoordelijkheden in het hier en nu zomaar
kunnen ontlopen. Integendeel, onze toekomstverwachting behoort ons juist actief
en waakzaam en werkzaam te maken. Vele voorbeelden zijn te noemen in het NT,
waar dat verband, tussen enerzijds verwachting en anderzijds ijver en inzet in
het heden telkens weer gelegd wordt. Zie Mt. 24:42- 25:46; Ha. 1: 6-8; 1Kor. 15:58;
1Tess. 5:1-11; 2Pet. 3:11-15; 1Joh.3:3, enz. De rijke en veelzijdige praktische
uitwerkingen, die in deze tekstgedeelten naar voren komen, laten zien hoeveel
invloed onze hoop en toekomstverwachting op ons leven in het heden kan
uitoefenen.
We kunnen nu de vraag aan de orde stellen: waarom is deze verwachting van de Wederkomst zo belangrijk? Wat is de betekenis ervan?
Onze Here Jezus Christus zal uit de hemel wederkomen met grote macht en majesteit. Dat is de hoofdzaak van onze toekomstverwachting. Waarom noemt de apostel Paulus dit als zo'n belangrijk kenmerk in het leven van de christenen in Tessalonica? Waarom is het ook voor ons belangrijk?
Het zal, ten eerste, betekenen dat de koninklijke heerschappij van Christus hier op aarde definitief gevestigd zal worden.
Reeds is Hij de Heer over alle dingen en heeft Hij ontvangen de naam boven alle naam. Alle macht is door de Vader reeds in zijn handen gelegd (Fil. 2:9; Mt. 28:18). Hij, die zichzelf zo diep heeft vernederd, alles uit handen gaf en de schande van het kruis op zich nam - om zo onze verlossing tot stand te brengen - nu heeft de Vader Hem alles in handen gegeven. Dit vieren we bij Hemelvaart.
Toch dient dit koningschap nog wel in de praktijk uitgewerkt te worden. Christus ís reeds uitermate verhoogd, hééft de naam boven alle naam reeds ontvangen, alles ís reeds aan Hem onderworpen - maar pas bij de Wederkomst zal dit volledig in de praktijk gerealiseerd worden. Dán zal alle knie zich buigen (goedschiks of kwaadschiks), alle tong belijden: 'Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader' (Fil. 2:11). Hoewel Hij nu reeds rechtmatig de Koning der koningen en de Heer der Heren is (Op. 1:5), erkent niet iedereen Hem als zodanig; nog heel veel in deze wereld gaat in tegen zijn koninklijke wil en bedoeling. Nog niet is de aarde vol van de kennis van de Here Jezus, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Hab. 2:14). Maar dat zal veranderen, wanneer elk oog Hem zal zien, verschijnend in heerlijkheid en majesteit (Mt. 24:27, 29-31). Zoals zijn eerste Komst was in nederigheid en dienstknechtgestalte, zo zal Hij bij zijn tweede Komst verschijnen met goddelijke macht en majesteit en zal Hij als Koning regeren tot in alle eeuwigheden. Dan wordt de overwinning, reeds behaald aan het kruis, compleet gerealiseerd.
Het tweede is dat de Wederkomst van onze Heer zal inluiden het rechtvaardige
oordeel over alle kwaad.
Paulus verkondigde tegenover de heidense filosofen in de stad Athene 'dat God
een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door
één Man, die Hij aangewezen heeft: de opgestane Jezus van Nazaret' (Hand.17:30-31). Ook in 2Tess. 1:7-9 wordt nader uitleg gegeven aan de 'toorn', waarvan
wij lezen in 1Tess. 1:10.
Nog steeds is één van de diepste vragen, die ons kan bezighouden, de vraag
waarom God het kwaad toelaat zo tekeer te gaan. Het diepste antwoord op deze
vraag is dat uiteindelijk de Here God het helemaal niet toestaat. Als Hij het
tot nu toe heeft toegestaan, is dat vanwege zijn lankmoedigheid, omdat Hij
geduld betracht - zie 2Pet. 3:3-10. Maar eens komt het moment van de afrekening.
Het oordeel van God is gegeven in de handen van de Here Jezus - zie bijv. Mt. 25:31-46. Recht en gerechtigheid zullen uiteindelijk zegevieren hier op aarde,
Christus' Komst zal het goddelijke oordeel inluiden. Hoe belangrijk is het voor
ons om te weten: het kwaad trekt niet aan het langste eind, de bozen ontlopen de
vergelding van hun daden niet. Wanneer wij dit weten, kunnen we afzien van wraak
tegenover mensen, die ons kwaad doen. De Here zegt: "Wreekt uzelf niet,
geliefden…. Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden" (Rom. 12:19-21).
Ten derde, de Wederkomst van onze Heer zal voor ons inluiden de volle ervaring van ons heil in Christus.
Gods heilswerk aan ons is nog niet af, de voltooiing wacht tot de Wederkomst. Eén van de vele teksten die daar duidelijk over spreekt is 1Joh. 3:1,2 (zie ook: Fil. 3:20,21; 1Tess. 4:13-18; 1Kor. 15:50-57). Johannes zegt ons dat wij nu al kinderen van God zijn - maar we ervaren nog niet alles wat bij dat voorrecht hoort. Niet alles wat de hemelse Vader ons wil schenken in Christus, is nu reeds ons deel - het beste deel komt nog. We zijn wel bevrijd van de schuld van de zonde en van het oordeel; gaandeweg mag zich steeds meer de overwinning over de zondemacht in ons leven aftekenen, naarmate Gods Geest ons voortleidt van stap tot stap.
Maar we zijn nog steeds niet vrij van de aanwezigheid van de zonde en alle gevolgen van de zonde. Nog steeds ervaren we ziekte en pijn en vervalt ons lichaam. Nog steeds sterven we en is er lijden, verdriet en de dood. We leven nog steeds in een gebroken en gevallen wereld, waar niets helemaal is, zoals het bedoeld was. We hunkeren naar onze vereniging met Christus, bij zijn Komst! Het zal voor ons inhouden de volheid van wat ons is beloofd. Dan zal Gods plan met ons gerealiseerd worden; dan zullen we de Here Jezus gelijkvormig zijn, delend in zijn heerlijkheid, vrij van zonde, ziekte, pijn, lijden, dood. We mogen weten dat we op weg zijn naar de trouwdag van de hemelse Bruidegom met zijn Bruid, de gemeente. Hij zal haar voor zich plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel.
Tot slot: laten we zo ons oog gericht houden op de Heer, die beloofd heeft dat Hij eens zal verschijnen in goddelijke macht en majesteit.
We zullen voorzichtigheid moeten betrachten ten aanzien van de details, want de meningen zijn onder ons verdeeld. Die verdeeldheid is niet een zaak van alleen gisteren of heden; in de lange geschiedenis van Christus' Kerk zien we mensen tot verschillende conclusies komen, t.a.v. de bijbelse gegevens.
Maar in de hoofdzaak zijn alle christenen één. Wij allen stemmen in met de reactie van de bruidsgemeente op het woord van de Heer: "Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom, Here Jezus!" (Op. 22:20). We zien uit naar de volle ervaring van het ons toegezegde heil in Christus. En nog is het de tijd van Gods geduld en verdragen. Maar eens is dat voorbij en zal de Here Jezus rechtvaardig oordelen. Dan zal het kwaad en het onrecht niet meer kunnen doorgaan; dan zal recht en gerechtigheid zegevieren. We verlangen er hartstochtelijk naar dat deze hele wereld onder het beslag gaat komen van de goede en vriendelijke heerschappij van de Here Jezus. En dat heel de aarde vervuld zal zijn met de kennis van zijn heerlijkheid en majesteit. Onder het koningschap van Christus wordt het hier weer een paradijs op aarde.
Dit uitzicht, door Gods Woord ons belooft, maakt ons mensen van echte hoop en toekomstverwachting, in een wereld zonder hoop en perspectief. Men kan dan alleen maar krampachtig en wanhopig de dag van vandaag proberen te plukken, want de dag van morgen is zo onzeker. 'Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij'. Het kan dan uitermate frustrerend zijn als je leven niet verloopt, zoals je het gepland en gewenst had. Want je hebt alleen maar dit leven om voor te leven….
Hoe anders mogen wij in het leven staan. We zijn pelgrims - op reis naar een beter en een eeuwig vaderland. We leven niet voor deze wereld, maar leven met het uitzicht op een eeuwige heerlijkheid en een volkomen vreugde, die ons wacht. Het hier en nu is tijdelijk, het houdt geen stand. Maar wij hebben uitzicht op de volle openbaring van het Koninkrijk van Christus. Er komt een volmaakte, vernieuwde hemel en aarde, waar het kwaad en het vervloekte niet meer aanwezig zal zijn. Dan wordt de gehele schepping, zoals God die altijd al bedoeld heeft. Wij zullen het leven leven, waarvoor wij altijd al bestemd waren. We zullen de nieuwe aarde bewonen en bewerken en met de Here Jezus als koningen heersen. Dit is het perspectief van het NT: het toekomende leven is van veel groter gewicht dan dit huidige, voorbijgaande leven. We moeten het hier en nu zien als een voorbereiding op en een oefening voor het toekomende. Ons geloof is zwak en misvormd als we dit bijbelse perspectief missen. Het gaat om wat ons wacht in de eeuwige heerlijkheid en de volmaakte vreugde bij de Heer. Daarheen zijn we op weg. Deze gerichtheid op de komende wereld betekent natuurlijk niet dat we gering denken over deze wereld - natuurlijk niet. Maar het houdt wel in dat we ons aardse bestaan, hoe kort of hoe lang ook, moeten zien als een pelgrimsreis, als een 'christenreize naar de eeuwigheid' (John Bunyan).
M. Gorsira