<< home - geloof: lezingen - Dr. H. Bakker

Bijgewerkt: 18-04-2008

Lezing

van:

Dr. H. Bakker - "DE EINDTIJD"

gehouden op 19 maart 2005 bij de Vrije Baptistengemeente 'Elim'

Henk Bakker

 

Dr. Henk Bakker studeerde theologie in Leiden, Leuven, Utrecht en promoveerde in Groningen. Hij is predikant van de Baptisten gemeente Katwijk-Rijnsburg en doceert aan de Evangelische Theologische Hogeschool te Ede en aan het Center of Evangelical and Reformation Theology te Amsterdam (Vrije Universiteit).

 

 

 

 

Christenen over alle eeuwen zijn zich ervan bewust geweest in de eindtijd te leven (vgl. Augustinus, Luther en Edwards en ook Johannes de Heer). Daaruit blijkt al dat we wat eindtijdvisies betreft een moerasgebied betreden.

Ook de apostel Paulus meende in de eindtijd te leven. Dat Gold ook voor Johannes en Jacobus en Petrus en Judas en de schrijver van de brief aan de Hebreeën. Hadden zij uiteindelijk ongelijk? Of zit het met de thematiek van de 'eindtijd' anders? Wat is eindtijd, en wat bedoelt deze notie te zeggen?


Voordat we hierop ingaan eerst een waarschuwing van de apostel Petrus met betrekking tot de eindtijdvisie van Paulus, uitgerekend de persoon die er het meest over schreef en van wie we de meeste brieven hebben (13x).

'… houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften (2 Petrus 3:15-16).

Paulus was dus zelfs voor Petrus niet gemakkelijk te begrijpen wanneer hij over de eindtijd en zaken die daarmee samenhingen sprak. En het was juist met betrekking tot deze materie dat 'onkundige en onstandvastige lieden' aan het verdraaien waren gegaan. Zij interpreteerden en meenden meer te weten dan te zien was - onkundigheid en onstandvastigheid werkten dat in de hand. De waarschuwing voor ons is helder. Wij staan nog veel verder van Paulus af dan Petrus en zijn tijdgenoten (qua tijd, cultuur, taal, etc.). Het is buitengewoon pretentieus om nu met de brieven van Paulus in de hand te menen dat wij hem beter begrijpen dan de christenen toen. Laat ik een voorbeeld geven.


Paulus zelf waarschuwde voor eschatologische doordraverij in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen.

'Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak' (2 Thes. 2:1-2).

Er was onrust ontstaan over het aanbreken van de dag des Heren. Te gemakkelijk werd zomaar beweerd dat die dag al begonnen was. Pas op zei Paulus, want die dag (die volgens de tekst gelijk staat aan de 'komst van de Here Jezus' en 'onze vereniging met Hem') is nog niet aangebroken. Zogenaamde christenen meenden dat die dag wel aanbrak, en brachten hun boodschap aan de man via preken, brieven (op naam van Paulus!) en zelfs geestesuitingen. Paulus leerde dat het zover nog niet was.

'Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is' (2 Thes. 2:3-4).

De 'dag des Heren', die de 'komst van de Here Jezus' en 'onze vereniging met Hem' brengen zal, kon nu nog niet plaatsvinden, meende Paulus, omdat voor die dag eerst nog andere dingen moesten gebeuren, namelijk: de mens der wetteloosheid, de antichrist, moest aan de macht komen en zelfs macht over de joodse tempel krijgen. Met andere woorden: Paulus geloofde helemaal niet dat Jezus op elk moment van de dag kon komen. Jezus zou pas terugkomen als eerst een reeks van voortekenen had plaatsgehad. Duidelijk was hij erop uit om de opgeschroefde verwachting van de Thessalonicenzen te temperen. Enkelen werkten zelfs niet meer en profiteerden van hun medechristenen (2 Thes. 3:6-15).


Vervolgens werkte Paulus de gedachte van de antichrist uit. Er was nog iets dat de antichrist weerhield om zich te openbaren. Dat noemde Paulus zowel 'iets dat weerhoudt' als 'hij die weerhoudt' (2 Thes. 2:6-7). De details zijn ons verder onbekend. Bij uitstek lenen deze teksten zich daarom voor speculaties. Speculaties waren er in Paulus' dagen, en zijn er ook nu. Speculaties die vallen binnen de categorie van meer willen weten dan mogelijk is, waarvoor Petrus nadrukkelijk waarschuwt. Onkundige en onstandvastige lieden gaan toch proberen om van Paulus een systeem te maken en gaan met stokpaarden aan de haal.


Paulus' waarschuwing kwam van de Here Jezus Zelf. Sprekend over de dingen van de eindtijd vroegen Jezus discipelen Hem wanneer dat zou geschieden:

'Meester. Wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken, dat deze dingen zullen gebeuren?' (Luc. 21:7).

Jezus antwoordde met:

'Ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet achterna' (Luc. 21:8).

Wat duidelijk was Jezus hier - Paulus had deze duidelijkheid van Jezus, ook al had hij nooit met Jezus opgetrokken. Pas op voor iedereen die onder de naam 'christen' zegt 'Ik ben het' en 'de tijd is nabij'. Christenen waren daar toen en zijn daar ook nu blijkbaar zo gemakkelijk in. Zij vinden van zichzelf dat zij een sleutelrol in de laatste dagen hebben te vervullen, en kunnen op Gods klok kijken. Laten we resoluut doen wat Jezus zei: 'Gaat hen niet achterna.'


Waarom vond Jezus het zo belangrijk zulke hoogdravers de pas af te snijden? Ik denk omdat zij de tekenen van de eindtijd niet goed begrepen. Laten we Jezus' onderwijs hierover volgen in Mattheüs 24. Jezus kondigde de verwoesting van de tempel aan (vers 2), waarop Zijn leerlingen Hem vroegen waneer dit zou geschieden:

'Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?' (vers 3)

Voor de discipelen kon de verwoesting van de tempel alleen maar inhouden dat de wereld zou ophouden te bestaan. Het wereldeinde en de tempelverwoesting vielen samen. Jezus beantwoordde de vraag niet onmiddellijk, en helaas lezen veel christenen daarover heen. De vraag wordt pas beantwoord in vers 30:

'dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen'.

Zij vroegen 'wat is het teken van uw komst?' en Jezus zei na 27 verzen 'dan verschijnt het teken'. Waarom beantwoordde Hij de vraag niet direct?

 

De teksten laten duidelijk zien dat Jezus opnieuw hun hooggespannen verwachtingen wilde temperen. Het liefst hadden zij gehoord dat dit allemaal op korte termijn zou gaan gebeuren (vgl. Luc. 19:11). Jezus wilde hen eerst waarschuwen voordat Hij antwoord gaf: 'Ziet toe, dat niemand u verleide!' En dan gaf Jezus aan hoe die verleiding zou gaan klinken: er zullen verleiders komen, er zullen allerlei rampen plaatsvinden (oorlogen, hongersnoden en aardbevingen, verdrukkingen en martelaarschap, verkilling en wetsverachting), en het zal lijken dat het einde aanbreekt, maar dat is niet zo. De tekenen der tijden waren tekenen van uitstel en niet van nabijheid van Jezus' wederkomst.


Jezus zei: 'dat moet geschieden, maar is het einde nog niet' (vers 6) - dit alles was het 'begin der weeën' (vers 7) en vond voor de grote verdrukking plaats die Jezus vanaf vers 15 beschreef (verzen 15-28). Pas na dit alles zal het teken van Jezus' komst zichtbaar worden. Niet eerder nadat eerst de zon en de maan verduisterd zullen worden en de 'machten der hemel zullen vallen' (vers 29).


Kortom: Jezus liet merken dat het nog wel even kon duren voordat de wederkomst zou plaatsvinden. Oorlogen, aardbevingen, hongersnoden, wetsverachting en verdrukkingen konden en kunnen zich eindeloos blijven herhalen en verhevigen. Vanaf Jezus' kruisdood en opstanding was de eindtijd begonnen, Jerzualem werd verwoest (Luc. 21:20: 'Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is'). Jeruzalem werd inderdaad verwoest en het was een teken van de eindtijd, en toch was dat het einde nog niet, precies zoals Jezus had gezegd. Christenen dachten dat toen wel, maar dat dachten zij ook tijdens de Bar Kochba opstand (132-135 na Christus) en in tijden van vervolging (Tertullianus).


God heeft een hele lange adem. Dat klinkt ook in Mattheüs 25 door, aansluitend op het hoofdstuk over de eindtijd. Jezus vertelde een gelijkenis over tien meisjes die allen op de bruidegom wachtten. Vijf hadden olie meegenomen en waren wijs, vijf niet - zij bleken dwaas. Alle tien sliepen zij in. Toen plotseling in de nacht de bruidegom kwam, bleken de dwaze meisjes niet voldoende olie bij zich te hebben. Zij misten het bruiloftsfeest (verzen 1-13).

 

Wat wilde Jezus hiermee zeggen? In elk geval niet dat een christen bij het wachten op Jezus' komst niet even slapen mocht (zij sliepen alle tien in, vers 5). Waarom waren de wijze meisjes wijs? Omdat zij olie hadden meegenomen. Zij dachten bij zichzelf: laat ik maar voldoende olie meenemen, want het kan misschien wel even duren voordat de bruidegom komt. De dwazen namen geen extra olie mee omdat zij simpelweg niet rekenden met een uitblijven van de komst van de bruidegom. De wijze meisjes konden zich het slaapje permitteren, de dwaze niet. Dat is de boodschap van deze gelijkenis. God is buitengewoon genadig en stelt het wereldeinde uit, en dat doet Hij niet enkele malen, maar vele malen. Zo verklaarde ook Petrus het wachten van de gelovigen op Jezus' komst:

'Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: "Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is." (…) Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Here talmt niet met de belofte, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch allen tot bekering komen. (…) Daarom, geliefden, …, houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid.' (2 Pet. 3:3-4, 8-9, 14-15)

God is geduldig. God stelt het wereldeinde voortdurend uit. Dat blijkt ook uit het boek Openbaring. Daar werd het woord 'uitstel' zelfs letterlijk door een engel uitgesproken. Deze engel kwam toen de 6e bazuin had geklonken. Hij had een boekje in zijn rechterhand en liet zeven donderslagen horen die verzegeld moesten worden. Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op de aarde. Zijn rechterhand opheffend zwoer hij bij hemel, zee en aarde:

'Er zal geen uitstel meer zijn, maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd' (Openbaring 10:6).

Het moment waarop deze engel verscheen is belangrijk. Hij kondigde de 7e bazuin aan, dat wil zeggen: de laatste bazuin. Alles wat voor die laatste bazuin gebeurde, werd door de engel onder het kopje 'uitstel' geplaatst. Dat waren dus 6 bazuinen en 7 zegels. Onder deze zegels en bazuinen waren door God planetaire, sociale en ecologische rampen besloten: grootschalige oorlogen, honger, dood, aardbevingen, enorme bosbranden, uitstervende zeeën, vergiftiging van mensen, vergiftiging van de dampkring (broeikaseffect) en de verspreiding van ziektes die de mensheid met uitroeien bedreigen. Al deze rampen herhaalden en verhevigden zich. Het kon telkens nog erger, en zo moeten we het uitstel ook beoordelen.
Hoe vaak hebben christenen niet gedacht: 'Het kan niet erger'? Dit moet wel het einde zijn. Toen het buskruit werd uitgevonden? Toen de eerste vliegtuigen door de lucht vlogen? Toen de eerste atoombommen vielen?


Tot de 7e bazuin hebben we te maken met rampverschijnselen die net als in Mattheüs 24 als tekenen van uitstel gelezen moeten worden. De uitstelgedachte ligt trouwens ook logisch besloten in de symboliek van 'zegels' en 'bazuinen'. De zegels hadden de boekrol die Jezus in handen houdt goed dichtverzegeld. Pas als alle 7 zegels verbroken zijn gaat de boekrol open (het is dan ook een half uur stil in de hemel - ieder houdt de adem in, want nu pas is de boekrol open, zie Openb. 8:1). De zegels waren het einde dus nog niet, want pas toen alle 7 verbroken waren leek het einde te worden ingezet. En zelfs dat bleek dan niet eens waar te zijn! God blijft geduldig, want Hij stuurt 7 bazuinen. Bazuinen kondigden aan, en boden wederom uitstel. Pas bij de 7e bazuin was het echt voorbij, want toen kwamen de 7 uitgesproken 'donders' van de engel over de aarde, vervat in 7 schalen die uitgegoten zullen worden (zie Openb. 15-16). Pas het uitgieten van deze schalen kan als het begin van het einde worden gezien. Daarom klonken bij de 7e bazuin (die het derde 'wee' is [Openb. 11:14] en weeën brengen het nieuwe leven) stemmen in de hemel die riepen:

'Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden. (…) …, maar uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te verderven wie de aarde verderven' (Openb. 11:15, 18).

Wat bij de zevende bazuin gebeurde is precies dat wat de apostel Paulus beschreef toon hij over de 'laatste bazuin' sprak. Alle gelovigen worden in een punt des tijds tot Christus gevoerd en ontvangen hun loon (1 Kor. 3:13-14; 15:52-53; 2 Kor. 5:10; 1 Thes. 4:16-17). De laatste bazuin bij Paulus is ook de laatste bazuin bij Johannes. In de Bijbel kan er maar één bazuin de laatste zijn, niet twee. Alles wat daaraan vooraf gaat is uitstel. Wees wijs en houdt daar rekening mee - wees een 'wijs meisje'. In de dagen van Johannes waren al 'vele antichristen opgestaan' (1 Joh. 2:18) en ook deze antichristelijke krachten herhaalden en verhevigden zich al vanaf de eerste eeuw na Christus tot op het huidige moment. Johannes durfde zelfs de uitspraak aan dat 'de geest van de antichrist' 'nu reeds', in zijn dagen, in de wereld was (1 Joh. 4:3).
Bij de laatste, de zevende bazuin was Gods geduld op, en terecht zo, want hoelang bleef God in Zijn geduld niet uitstellen? Gods oordeel kon nu nooit meer op willekeur berusten, en de engel, met benen op de aarde en de zee, en de vuist in de lucht, zwoer dat het over was. Hij riep hemel en aarde en zee tot zijn getuigen, want wat hebben die moeten doorstaan. Lucht, land en zee waren ziek en dood. Wat kon God wachten - waarom wachtte Hij zolang, alleen maar omdat Hij wilde dat ieder de gelegenheid zou krijgen om tot bekering te komen? Ja, maar de Bijbel is daar specifieker over. Laten we dit thema nu even aansnijden.


Gods geduld duurt nu al zo'n 2000 jaar. Kunnen de 'laatste dagen' wel zo lang worden uitgerekt? Het moet wel kunnen, want het is gebeurd. God wil dat ieder tot geloof komt, ja maar in het bijzonder het joodse volk. Paulus' verdriet was onbeschrijfelijk toen hij daarover schreef:

'Omdat ik één ben met Christus spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door de heilige Geest is mijn getuige dat ik niet lieg: ik ben diepbedroefd en wordt voortdurend door verdriet gekweld. Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn' (NBV-vertaling Rom. 9:1-3).

Verderop schreef Paulus ook dat 'de begeerte' van zijn hart, namelijk zijn 'gebed om hun behoud' tot God uitgaat' (Rom. 10:1). Hij was er zo mee doende en het deed zo zeer, te merken dat het joodse volk niet massaal op het evangelie reageerde. Slechts een 'overblijfsel' een 'rest' kwam tot geloof in Jezus (Rom. 11:5-7). Zijn hart was vol van de liefde van Jezus, die 'als een hen haar kuikens' vol verlangen was om het joodse volk 'onder haar vleugels' te bergen (Matth. 23:37).

Dezelfde liefde dreef de apostel Paulus en maakte hem van binnen ook vol jammer. Hij dacht dat de boodschap van Gods vernieuwende vergeving snel op heel Israël vat zou krijgen en in kracht zou toenemen, en dat als gevolg daarvan de heidenzending binnen enkele jaren afgerond kon worden. Hij meende de wederkomst van Jezus zelf nog mee te maken ('Allen zullen wij niet ontslapen …' [1 Kor. 15:51], 'Wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren' [1 Thes. 4:15]) - later drong het tot Paulus door dat hij het toch niet zou beleven: 'Het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur' (2 Tim. 4:16). De vaart ging uit de heilsgeschiedenis. De snelheid werd afgeremd. Zoals God vaker deed, moesten de christelijke verwachtingen worden getemperd. De enorme groei van christenen onder de heidenen werkte niet uit tot een groei van de kerk onder de joden. Integendeel, na verloop van jaren raakte de messiasbelijdende kerk tussen wal en schip en verdween zij nagenoeg geheel uit het zicht. De christenen uit de heidenen bekommerden zich niet of nauwelijks meer om de joods-christelijke gemeenschap en meenden zelfs dat het joodse volk als geheel door God op een zijspoor was gezet. De kerk zou op de plaats van het joodse volk Israël zijn gekomen (de vervangingsleer). Dat met deze verschrikkelijke theologische blunder de kerk over zichzelf een lange wachttijd afriep, met alle gevolgen van dien (olielampen die uitgaan), drong niet door.


De Bijbel koppelt de wederkomst van Jezus aan de bekering van het joodse volk tot Jezus. Dat gebeurde al direct na het ontstaan van de oerkerk te Jeruzalem. Na een lamme man te hebben genezen stroomde het tempelplein vol met nieuwsgierige mensen. Petrus verkondigde het evangelie en riep op tot bekering:

'Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende' (Hand. 3:19-20).

Met andere woorden, Petrus ging ervan uit dat Jezus terug zou zijn gekomen als het joodse volk massaal tot geloof was gekomen (in de buurt waren de priesters, de hoofdman, de Sadduceeën, de oversten, de oudsten, de schriftgeleerden, Annas, Kajafas, Johannes, Alexander, en allen die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden, Hand. 4:1, 4-6). Petrus had het mis, als hij verwachtte dat die massale bekering aanstaande was, maar had het niet mis dat als die bekering er wel was geweest, Jezus zou zijn teruggekomen. Dan zou de heidenzending door Hem Zelf vanuit Jeruzalem zijn begonnen. Het liep allemaal anders - en omdat de breuk tussen christenen en joden alleen maar groter werd (tempelverwoesting, de fiscus Iudaicus, het Bar-Kochba drama, vervolgingen, de Constantijnse wende, Augustinus, de reformatoren, etc.) werd de eindtijd steeds elastischer.


Hopelijk is de tijd nu gekomen dat de christelijke kerk gaat zien dat zij nooit tot grotere volheid en heerlijkheid kan komen, zonder dat het joodse volk haar Messias Jezus erkent. Paulus zag de heidense arrogantie al aankomen en waarschuwde er al voor in Romeinen 11. De joden die Jezus niet aannamen waren als takken die uit een olijfboom waren weggebroken. De christelijke heidenen waren ertussen geënt en riepen:

'zij zijn weggebroken zodat wij ertussen konden komen'. Paulus zei: 'Pas maar goed op met die hoogmoed, want als zij niet bij hun ongeloof blijven, worden zij er weer tussen gevoegd, en kan het zomaar zijn dat jij met je arrogantie wordt weggekapt' (Rom. 11:17-24).

Bovendien meende Paulus dat de volheid van de kerk wacht op de volheid van het joodse volk:

'Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid' (Rom. 11:12).

De NBV vertaalde dit vers beter.

'Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de heidenen, hoeveel rijker zal dan de gave zijn wanneer zij zich allen hebben bekeerd.'

Binnen het Puriteinse erfgoed heeft men sterk aan deze belofte vastgehouden - het joodse volk komt tot geloof en dan pas zal de kerk haar volheid kunnen bereiken (heel Israël zal worden gered als er ook een grote opwekking onder de volken gaande is, zie Rom. 11:25-26; lees bv. Jonathan Edwards).
De kerk gaat niet in heerlijkheid aan Israël vooruit - kerk en Israël zitten vast aan elkaar. Nota bene, de kerk zit op een oer en oerjoodse wortel. Die kan zij niet afbreken zonder haar heil te verliezen. De kerk hoort naast Israël te blijven staan tot het bittere en bitterste einde. Zolang zij dat niet ziet, zal de eindtijd zich blijven uitstrekken. De kerk was en is ertoe geroepen om als een hen haar vleugels om het joodse volk heen te spreiden. In plaats van het dons kreeg het de dreun - keer op keer, ook van de kerk. Kerken deden mee bij het verbranden van joodse boeken en synagogen. De kerken deden niet bijzonder veel toen miljoenen joden in de kampen en gaskamers omkwamen. En ook nu, terwijl God de kerk een geweldige kans biedt om het beter te doen dan in de eerste en tweede eeuw gebeurde, wordt nog steeds de relatie kerk en Israël met ondeugdelijke aannames belast. We zouden denken dat na de jood-Arabische oorlog, de Sinaï-crisis, de 6-daagse oorlog, de 'jom-kippur'-oorlog, de Libanon-crisis, de Golf-oorlog en de intifada's de kerk haar les wel zou hebben geleerd. Uit deze crisismomenten blijkt dat God niet toestaat dat de kerk opnieuw in dezelfde fout vervalt en zij het joodse volk wederom uit de heilsgeschiedenis zou weginterpreteren - Israël blijft hoe dan ook, crisis na crisis door Gods voorzienigheid bestaan. En zolang als dit joodse volk in de problemen is (politiek, sociaal, economisch, religieus en ga zo maar door) zal de kerk op een onvoltooide aarde blijven wonen. Zij aan zij met Israël.


Hoe kerken er ooit toe konden komen om te geloven dat Christus Zijn gemeente in de eindtijd van de aarde komt weghalen en dat de joden dan opnieuw door een hel op aarde moeten gaan, is mij een raadsel - en ik vind het ook een draak van een lering. Op het moment dat joden de steun van de kerk het meest nodig hebben, zit zij bij haar Heer feest te vieren. Wat een verkeerde voorstelling van zaken.
Ooit zei een predikant toen hij over de komende grote verdrukking over het joodse volk sprak: 'Maar wij hebben een streepje voor bij God, wij worden voor de verdrukking opgenomen'. Wat een aanname: 'Wij hebben een streepje voor bij God'. Is dit de toon waarop Paulus sprak in Romeinen 11? Dan hebben wij van Paulus blijkbaar niets geleerd.


Kan God zijn kerk een grote verdrukking niet aandoen? Lees dan maar eens de vroegchristelijke martelaarsberichten. Hebben de joden dit dan niet verdiend, door hun ongeloof over zichzelf afgeroepen? Is dit de 'tijd van Jakobs benauwdheid', maar vergeten wij dat het oordeel volgens Petrus bij het huis Gods, de kerk, begint? (1 Petr. 4:17). Wij hebben geen enkel streepje voor ten opzichte van onbekeerde joden. En wie dat met de vinger op de Bijbel wel beweert, ontkomt er niet aan die Bijbel aan flarden te scheuren met een kookboekenexegese van: 'die tekst is voor joden en die tekst is voor ons'. Al in de tweede eeuw na Christus had had de vroege kerk met soortgelijke denkbeelden in haar midden te stellen, met name in de persoon van een zekere Marcion. Tertullianus veegde met hem de vloer aan en noemde hem een 'Pontische muis' (een mus Ponticus, zie Adversus Marcionem 1,1,5 [Pontus lag aan de Zwarte Zee, in het huidige Noord-Turkijë), een ketterse muis die de heilige Schriften aan stukken knaagde. Wat toen gebeurde, en de Marcionitische geest is van alle tijden, gebeurt helaas ook nu.


Opvallend is dat christenen die de Marcionitische geest zijn toegedaan, en kerk en Israël uit elkaar halen en op twee verschillende sporen plaatsen, van zichzelf vinden dat zij een Israëlvisie hebben. De joden komen in de grote verdrukking immers tot geloof (144.000 nog wel) en hierop vooruitlopend hebben zij Israël van harte lief. Zij reizen bijvoorbeeld naar Jordanië om Hebreeuwse Nieuwe Testamenten in de rotsholten van Petra te verstoppen. Daar zouden de joden tijdens de grote verdrukking in grote benauwdheid heen vluchten, en daar zouden zij dan lezen dat zij Jezus moeten aannemen (Openb. 12:6). De kerk is dan al lang en breed in het Vaderhuis boven.
Het klinkt misschien wel hard, maar ik kan niet anders dan dit soort liefde voor Israël als neerbuigende liefde kwalificeren. Neerbuigend in de zin van 'jij, zielige jood die straks een nieuwe holocaust moet meemaken, ik zal je nu maar even helpen, want straks ben ik er niet meer.' Men voelt zich bevoorrecht boven de jood, want die krijgt er van langs, de kerk niet. God zou de kerk geen joodse 'shoa' kunnen aandoen. Joden wel, want zij hebben het verdiend, en ze komen er nog door tot geloof in Jezus ook.


Nu zullen christenen die in de opname voor de grote verdrukking geloven direct naar allerlei Bijbelse bewijsplaatsen willen verwijzen. Die zouden aantonen dat zij er niets aan kunnen doen om dit eindtijdschema te wijzigen: God heeft het zo gewild, want de Bijbel zegt het. Dan moet ik ze toch in de rede vallen. Nergens staat klip en klaar in de Bijbel dat christenen voor de verdrukking worden opgenomen. Juist omdat de Bijbel dat niet helder leert, is het te betreuren dat men moedwillig voor een exegese kiest die een nieuwe uitroeiing van het joodse volk betekent (ooit zij een Bijbelleraar me dat de holocaust van 50 jaar geleden bij het terreur dat de joden te wachten staat in de grote verdrukking zal verbleken). De Bijbel hoeft zo helemaal niet te worden uitgelegd. Laat mij tenslotte een voorbeeld geven.

 
Een van de belangrijkste bewijsteksten voor de gedachte van de opname van de kerk voor de verdrukking is, zo zegt men, 1 Thessalonicenzen 4:17:

'… daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht …'

Het gaat hier over een 'opname' (ik geloof in de opname!), een plotselinge wegvoering, Jezus tegemoet. Maar waarom staat die opname hier? De kwestie die Paulus hier besprak ging helemaal niet over een opname voor de verdrukking. De kwestie was deze: er waren christenen gestorven en de nabestaanden vroegen zich af of zij bij Jezus' wederkomst eerder in heerlijkheid zouden zijn of niet. Hoe konden zij bij God feest vieren als hun geliefden nog in het dodenrijk waren? Paulus legde uit dat de ontslapenen door Jezus bij de achterblijvers terug zullen worden gebracht (vers 14). Meer nog: de achterblijvers zullen de gestorvenen beslist niet vooruit gaan (de levenden zullen niet eerder dan de doden in heerlijkheid zijn) - Paulus draaide de volgorde zelfs om: bij Christus' komst zullen 'die in Christus gestorven zijn het eerst opstaan' en 'daarna' zullen de achterblijvers samen met hen Jezus in de lucht tegemoet gaan. Nergens wordt hier ook maar iets van een tijdstip vermeld (voor of na de verdrukking).

 

Opgestane samen met nog levende christenen zullen Jezus in de lucht 'tegemoet' gaan. Wat wordt hiermee bedoeld? Bij het woord 'tegemoet' moeten we denken aan een beweging van Jezus naar de aarde. Als ik iemand tegemoet ga, dan komt deze persoon mijn kant uit, niet andersom. Als mijn vrouw zware boodschappen heeft gedaan en ik haar tegemoet ga, dan is dat om haar te helpen de boodschappen naar huis te helpen sjouwen. De Griekse bewoording hier (eis apantesin) komen we nog 2x tegen, in Handelingen 28:15 en Mattheüs 25:6. In beide teksten wordt 'tegemoet' ook zo bedoeld: Paulus werd gevankelijk naar Rome gevoerd en enkele christenen kwamen hem vlak buiten Rome tegemoet. Niet om met Paulus mee te gaan naar een plaats buiten Rome (dat kon niet eens, want hij was een gevangene), maar om hem Rome binnen te begeleiden (ter versterking en vertroosting); de op de bruidegom wachtende meisjes werden midden in de nacht opgeroepen om de bruidegom 'tegemoet' te gaan - dat wil zeggen: zij gingen op hem toe om hem het huis (met het bruidsvertrek en de wachtende bruid) binnen te leiden waar zij die nacht aan het posten waren. De beweging was naar henzelf toe gericht.


Kortom: 1 Thessalonicenzen 4 leert geen opname voor de verdrukking. Christenen gaan Jezus tegemoet om Hem op deze aarde binnen te halen. Ik kan me niet voorstellen dat dat zou inhouden dat Jezus dan nog door een grote verdrukking heen zou moeten. Nee, dan begint Hij zijn regering op aarde.

In heb in deze lezing getracht de aandacht op één hoofdgedachte te richten: God is zeer geduldig en laten wij rekening met Zijn geduld houden - Hij wacht bovenal op de bekering van het joodse volk, waar wij geduldig naast moeten staan en blijven staan, hoe zwaar die taak ook wordt.

Dr. Henk Bakker.